aan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: ane, aen
Oudnederlands: ana
Germaans: *ana
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: on (Angelsaksisch: on), Duits: an, (Oudhoogduits: an, ana), Fries: oan (Oudfries: an, on)
Noord: Zweeds/Deens: å, på, Noors: på (Nynorsk: å, Oudnoords: á), IJslands/Faeröers: á
Oost: Gotisch: ana

Voorzetsel

aan

  1. verbonden met, tegen, tegenaan
    • Het schilderij hangt aan de muur. 
    • Zij zitten aan aan de maaltijd. 
  2. de ontvangende persoon (datief)
    • Ik geef die rozen aan Sandra. 
  3. op een bepaalde plaats
  4. bestaande uit
    • Hij bezit een fortuin aan aandelen. 
  5. verdeeld in, kapot gaan
  6. aan beide kanten
    • De stad lag aanweerszij van de rivier. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Bijwoord

aan

  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     aan  
 persoonlijk     eraan  
aanwijz.   nabij     hieraan  
  veraf     daaraan  
  vragend/betrekk.     waaraan  
  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    aanzetten: jij zet de motor aan.
  2. prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
    • Deze soort is er nauw aan verwant . 
    • Het is aan tussen Peter en Marie: Marie en Peter houden van elkaar, ze hebben een relatie. 
stellend
onverbogen aan
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

aan

  1. actief, in bedrijf
    • De kachel is aan. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.


Limburgs

Uitspraak

Voorzetsel

enkelvoud meervoud
bepaald geheel ane aner
gemut. - -
onbepaald geheel aan aan
gemut. - -

aan + accusatief/datief

  1. (Hooglimburgs) aan
  2. (Hooglimburgs) op
  3. (Hooglimburgs) tegen