aanwennen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·wen·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanwennen
wende aan
aangewend
zwak -d volledig

Werkwoord

aanwennen

  1. wederkerend zich ~: zich tot een gewoonte maken
    • Je moet jezelf wel aanwennen om het licht uit te doen, als je een kamer uitgaat. 
    • Hij had zich aangewend om tijdens het studeren altijd koekjes te eten. Hij is dan ook moddervet geworden.. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid