aansturen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·stu·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aansturen
stuurde aan
aangestuurd
zwak -d volledig

Werkwoord

aansturen

  1. overgankelijk leiding geven aan iets
    • Ik ga jullie vandaag in jullie werk aansturen. 
  2. overgankelijk (techniek) regelen, in werking stellen
    • Een of meerdere ventilatieroosters worden per groep aangestuurd vanuit de centrale sturing. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.