aanmengen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·men·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanmengen
mengde aan
aangemengd
zwak -d volledig

Werkwoord

aanmengen

  1. overgankelijk iets droogs met iets vloeibaars mengen
    • Hij mengde het geheel onder goed roeren met melk aan. 

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.