aanstaren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·sta·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanstaren
staarde aan
aangestaard
zwak -d volledig

Werkwoord

aanstaren

  1. overgankelijk langdurig aankijken
    • Een man met een baard tegenover me zat me strak aan te staren; ik deed of ik het niet merkte. 
    • Dat wil zeggen... Albert had veel naar Cécile gekeken en na een tijdje had ze, omdat ze de hele tijd maar werd aangestaard, natuurlijk ontdekt dat hij bestond en op haar beurt naar hem gekeken. [1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 16