aanstaren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·sta·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanstaren
staarde aan
aangestaard
zwak -d volledig

Werkwoord

aanstaren

  1. overgankelijk langdurig aankijken
    Een man met een baard tegenover me zat me strak aan te staren; ik deed of ik het niet merkte.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.