aangapen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ga·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aangapen
gaapte aan
aangegaapt
zwak -t volledig

Werkwoord

aangapen

  1. dom en nieuwsgierig aanstaren
    • De actrice vind het vervelend als onbekenden haar blijven aangapen. 
  2. (figuurlijk) dreigend aanstaren van levenloze, openstaande dingen
    • Het lege graf gaapte ons aan. 
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.