aanroeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·roe·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanroeren
roerde aan
aangeroerd
zwak -d volledig

Werkwoord

aanroeren

  1. overgankelijk aanraken, kort bespreken
    • Hij zal de kwestie aanroeren bij zijn ontmoeting volgende week. 
    • Ik weet dat ik een heikel punt aanroer, maar ik zeg het toch. 
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.