aanroepen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·roe·pen

(scheidbaar)

Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanroepen
riep aan
aangeroepen
klasse 7 volledig

Werkwoord

aanroepen

  1. (overgankelijk) met roepen iemands aan aandacht vragen
    Hij werd vanaf de overkant van het kanaal aangeroepen door een oude bekende.
  2. (overgankelijk) bidden tot
  3. (informatica) een subprogramma uitvoeren
Afgeleide begrippen
Vertalingen