aanroepen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·roe·pen

(scheidbaar)

Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanroepen
riep aan
aangeroepen
klasse 7 volledig

Werkwoord

aanroepen

  1. overgankelijk met roepen iemands aan aandacht vragen
    • Hij werd vanaf de overkant van het kanaal aangeroepen door een oude bekende. 
  2. overgankelijk bidden tot
  3. (informatica) een subprogramma uitvoeren
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.