aantreden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·tre·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aantreden
trad aan
aangetreden
klasse 5 volledig

Werkwoord

aantreden

  1. ergatief (militair) in het gelid gaan staan
    • De soldaten moesten aantreden bij de kroning van de koning. 
  2. ergatief beginnen te werken
    • Na drie maanden geleden te zijn benoemd treed de nieuwe direkteur nu aan. 

Zelfstandig naamwoord

aantreden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord aantree


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be