aanschaffen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·schaf·fen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanschaffen
/ˈansxɑfə(n)/
schafte aan
/sxɑftə ˈʔan/
aangeschaft
/ˈanɣəsxɑft/
zwak -t volledig

Werkwoord

aanschaffen

  1. overgankelijk kopen
    • U dient de software na 30 dagen aan te schaffen. 
     Wandelstokken? Inderdaad, ik was met de trend meegegaan en had een paar Leki Thermalite-wandelstokken aangeschaft.[1]
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

aanschaffen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord aanschaf

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be