aanroep

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·roep

Werkwoord

vervoeging van
aanroepen

aanroep

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanroepen
    • ... dat ik aanroep. 

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.