aanscherpen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·scher·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanscherpen
scherpte aan
aangescherpt
zwak -t volledig

Werkwoord

aanscherpen

  1. scherper maken
    • Een beitel aanscherpen. 
  1. (figuurlijk) effectiever maken, erger maken
    • Door de vervelende opmerkingen van de leraar werd de ruzie in de klas verder aangescherpt. 
    • Door de prijzenoorlog werden de prijzen nog verder aangescherpt. 
    • De minister wil de regelgeving aanscherpen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.