aanpassen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·pas·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanpassen
/ˈanˌpɑsə(n)/
paste aan
/ˌpɑstə ˈan/
aangepast
/ˈaŋɣəˌpɑst/
zwak -t volledig

Werkwoord

aanpassen

  1. overgankelijk aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken, passend maken
    • Nadat de ingang was aangepast konden ook mensen in een rolstoel naar binnen. 
    • De jonge vrouw moest haar leven helemaal aanpassen nadat ze invalide was geworden. 
    • Diersoorten die zich goed kunnen aanpassen aan de veranderende leefomstandigheden zullen overleven de anderen sterven uit. 
  2. overgankelijk aantrekken om te passen
    • Ik moet de jurk eerst aanpassen, want ik kan zo niet goed zien of die staat. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.