aangrijpen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·grij·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aangrijpen


greep aan


aangegrepen


klasse 1 volledig

Werkwoord

aangrijpen

  1. (overgankelijk) met kracht aanpakken
    De lakse agent werd door de boze vrouw aangegrepen.
  2. aanvallen.
  3. hevig ontroeren
    Het gedicht over haar overleden vader greep haar heel erg aan, zodat ze heel erg moest huilen
Spreekwoorden

De gelegenheid aangrijpen.

  1. Van de gelegenheid gebruik maken wanneer die zich voordoet.
    De student greep de herkansing van het examen met beide handen aan, daardoor had hij toch nog een kans zijn diploma op tijd te halen.
Vertalingen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.