aanhoren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ho·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanhoren


hoorde aan


aangehoord


zwak -d volledig

Werkwoord

aanhoren

  1. horen naar iemand, luisteren
    Mijn dochter kan best zingen maar haar gezang is niet om aan te horen.
    Je moet altijd je tegenstander met aandacht aanhoren, want daar kun je vaak wat nieuws van leren.
  2. horen aan
Spreekwoorden
  • ten aanhoren van: zodat het gehoord wordt door
Vertalingen