aanhoren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ho·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanhoren
hoorde aan
aangehoord
zwak -d volledig

Werkwoord

aanhoren

  1. overgankelijk horen naar iemand, luisteren
    • Mijn dochter kan best zingen maar haar gezang is niet om aan te horen. 
    • Je moet altijd je tegenstander met aandacht aanhoren, want daar kun je vaak wat nieuws van leren. 
     Haar opmerkingen in de trend van ‘Jordie kan beter verliefd zijn op een meisje’ werden door de analisten met verbaasde gezichten aangehoord.[1]
  2. horen aan
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • ten aanhoren van: zodat het gehoord wordt door
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be