aanhoren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ho·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanhoren
hoorde aan
aangehoord
zwak -d volledig

Werkwoord

aanhoren

  1. horen naar iemand, luisteren
    • Mijn dochter kan best zingen maar haar gezang is niet om aan te horen. 
    • Je moet altijd je tegenstander met aandacht aanhoren, want daar kun je vaak wat nieuws van leren. 
  2. horen aan
Spreekwoorden
  • ten aanhoren van: zodat het gehoord wordt door
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.