aanschikken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·schik·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanschikken
schikte aan
aangeschikt
zwak -t volledig

Werkwoord

aanschikken

  1. ergatief aan tafel plaatsnemen
    • Toen hij thuis kwam was het eten al klaar. Hij kon meteen aanschikken. 
  2. dichter bij elkaar gaan zitten
Synoniemen

Gangbaarheid