aanrijden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·rij·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanrijden
reed aan
aangereden
klasse 1 volledig

Werkwoord

(scheidbaar)
aanrijden

  1. rijdend aankomen
    • Hij kwam wat eerder aangereden dan we verwacht hadden. 
  2. overgankelijk tegen iets rijden, een botsing veroorzaken
    • Hij werd aangereden door een motorrijder. 
    • De reebok werd in het kader van het project Ruimte voor aaseters in de natuur neergelegd. Kadavers zijn schaars, schrijven de deelnemende natuurorganisaties op hun website. Aangereden wild wordt vaak vernietigd en ook in natuurgebieden worden dode dieren opgeruimd. Door verkeersslachtoffers terug te plaatsen, hopen de organisaties dat grote aaseters weer terugkeren in de natuur. [1] 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Lucas Brouwers 13 maart 2012