Naar inhoud springen

aanvullen

Uit WikiWoordenboek
  • aan·vul·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanvullen
vulde aan
aangevuld
zwak -d volledig

aanvullen

  1. overgankelijk het ontbrekende bijvoegen
    • Iedere dag moest de supermakt zijn voorraden weer aanvullen. 
     We brachten een uur samen door, achter de balie, met de voordeur op slot. Ik sorteerde de post en zette thee en koffie, die Pamela en ik gedurende de dag moesten aanvullen. Lawrie leek oprecht blij met zijn kop thee. Het was alsof hij nog nooit eerder iets warms te drinken had gekregen.[1]
  2. overgankelijk samen een compleet geheel maken
    • De mooie das vulde het mooie pak aan. 
    • De norse man werd gelukkig goed aangevuld door zijn veel vriendelijkere vrouw. 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[2]
  1. Jessie Burton (vert.Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be