aanvullen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·vul·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanvullen


vulde aan


aangevuld


zwak -d volledig

Werkwoord

aanvullen

  1. het ontbrekende bijvoegen
    Iedere dag moest de supermakt zijn voorraden weer aanvullen.
  2. samen een compleet geheel maken
    De mooie das vulde het mooie pak aan.
    De norse man werd gelukkig goed aangevuld door zijn veel vriendelijkere vrouw.
Vertalingen