aandrang

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·drang
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aandrang -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

aandrang m

  1. het aandringen
    • Er werd grote aandrang op hem uitgeoefend om zijn werk af te maken. 
  2. aansporing, morele druk
    • Er was weinig aandrang nodig om hem geld te laten geven voor het goede doel. 
  3. neiging
    • Hij had een grote aandrang om te plassen. 
     Hoewel Chantal de aandrang voelde om iets te zeggen waaruit haar medeleven bleek, zweeg ze.[2]
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. aandrang op website: Etymologiebank.nl
  2. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord aandrang -

Zelfstandig naamwoord

aandrang

  1. aandrang