aansteken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ste·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aansteken
/'anstekə(n)/
stak aan
staken aan
/stɑk ʔan/
/stakə(n) 'ʔan/
aangestoken
/'anɣəstokə(n)/
klasse 4 volledig

Werkwoord

aansteken

  1. (overgankelijk) doen ontbranden
    Met een aansteker kun je de sigaret aansteken.
  2. (overgankelijk) met iets scherps vastmaken
  3. (overgankelijk) beginnen uit iets te tappen
  4. (overgankelijk) besmetten met een begin van rotting
    Ik ben door hem aangestoken met de griep.
  5. (overgankelijk) (valkerij) het herstellen van een gebroken of beschadigde staart- of vleugelpen met behulp van een aansteeknaald
Typische woordcombinaties
  • een kaars aansteken
Vertalingen