aanbinden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·bin·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanbinden
bond aan
aangebonden
klasse 3 volledig

Werkwoord

aanbinden

  1. overgankelijk met bijvoorbeeld een koord, riem of touw bevestigen
    • Voordat we gaan rijden moeten we de spullen in de laadruimte nog aanbinden. 
  2. beginnen
Synoniemen
Spreekwoorden
  • de strijd aanbinden: de strijd beginnen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.