aanblik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·blik
enkelvoud meervoud
naamwoord aanblik -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

aanblik m

  1. de blik van iemand
  2. het zien van iets
    Hij genoot van de aanblik van al de mooie schilderijen in het museum.
    Bij de eerste aanblik van zijn verwoeste huis moest hij huilen.
Vertalingen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aanblikken

aanblik

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanblikken
    ... dat ik aanblik.


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord aanblik aanblikke

Zelfstandig naamwoord

aanblik

  1. aanblik