aanblik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·blik
enkelvoud meervoud
naamwoord aanblik aanblikken
verkleinwoord - -
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

aanblik m

  1. de blik van iemand
  2. het zien van iets
    • Hij genoot van de aanblik van al de mooie schilderijen in het museum. 
    • Bij de eerste aanblik van zijn verwoeste huis moest hij huilen. 
     Daarvoor was de eerste aanblik te heftig. Jeroen was volledig gekleed en zat met opgetrokken knieën in de douchecabine.[2]
Vertalingen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aanblikken

aanblik

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanblikken
    • ... dat ik aanblik. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. aanblik op website: Etymologiebank.nl
  2. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord aanblik aanblikke

Zelfstandig naamwoord

aanblik

  1. aanblik