aanblik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·blik
enkelvoud meervoud
naamwoord aanblik aanblikken
verkleinwoord - -
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

aanblik m

  1. de blik van iemand
  2. het zien van iets
    • Hij genoot van de aanblik van al de mooie schilderijen in het museum. 
    • Bij de eerste aanblik van zijn verwoeste huis moest hij huilen. 
Vertalingen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aanblikken

aanblik

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanblikken
    • ... dat ik aanblik. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl

Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord aanblik aanblikke

Zelfstandig naamwoord

aanblik

  1. aanblik