aanlanden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·lan·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanlanden
landde aan
aangeland
zwak -d volledig

Werkwoord

aanlanden

  1. ergatief aan land gaan
    • De ontdekkingsreiziger landde aan op de kust van het onbekende land. 
  2. ergatief terechtkomen, bij toeval geraken
    • Waar zijn we nou toch aangeland! 
Vertalingen

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.