plaats

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plaats
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: plaetse
Oudfrans: place, plache
Latijn: platea
  • Verwant in Germaans:
Engels: place, Duits: Platz
  • Andere Indo-Europese talen:
Arabisch: بلاط, Italiaans: piazza, Portugees: praça, Spaans: plaza, Retoromaans: plaz
enkelvoud meervoud
naamwoord plaats plaatsen
verkleinwoord plaatsje plaatsjes

Zelfstandig naamwoord

plaats v/m

  1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
    • De plaats van het ongeval bleef wekenlang afgespannen met politielint. 
    • Er was geen plaats voor hem om te gaan zitten. 
  2. een plein
    • Ik ontmoette hem op de meest centrale plaats van het dorp. 
  3. een dorp of stad (woonplaats)
    • De plaats waar hij vandaan kwam, bleef lange tijd een vraagteken voor zijn klasgenoten. 
  4. een kleine ruimte achter een huis
    • Op het plaatsje kwam helemaal geen zon. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: in plaats van
  • [1]: op zijn plaats
  • [1]: ter plaatse
Vertalingen

Bijwoord

plaats

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord

Werkwoord

vervoeging van
plaatsen

plaats

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plaatsen
    • Ik plaats. 
  2. gebiedende wijs van plaatsen
    • Plaats! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plaatsen
    • Plaats je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie