aanvatten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·vat·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanvatten
vatte aan
aangevat
zwak -t volledig

Werkwoord

aanvatten

  1. aanpakken.
  2. ondernemen.

Werkwoord

vervoeging van
aanvatten

aanvatten

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van aanvatten
    • ...dat wij aanvatten. 
    • ...dat jullie aanvatten. 
    • ...dat zij aanvatten. 

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.