aankijken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·kij·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aankijken keek aan aangekeken
Eigenschappen
Morfologisch Sterk werkwoord klasse 1
Scheidbaar werkwoord
Syntactisch Wederkerig werkwoord
Onvergankelijk werkwoord
volledig

Werkwoord

aankijken

  1. overgankelijk aanzien; de blik op iemands gezicht zichten
    • Hij keek haar aan en zei: "goedenavond". 
    • De vader keek zijn dochter streng aan en toen gaf het meisje toe dat ze de kras op de auto had gemaakt. 
  2. wederkerig elkaar ~ de blik op elkaars gezicht richten
    • Zij keken elkaar aan en schoten in de lach. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • de zaak nog eens aankijken'
afwachten
  • aankijken op
verdenken van, geringschatten om
jaloers zijn op iemand
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.