aanvang

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·vang
enkelvoud meervoud
naamwoord aanvang -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aanvang m

  1. begin
    De aanvang van het concert is om 20.00 uur.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aanvangen

aanvang

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanvangen
    ... dat ik aanvang.