aangeven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ge·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aangeven
gaf aan
aangegeven
klasse 5 volledig

Werkwoord

aangeven

  1. overgankelijk aanreiken, in handen geven
    • Kun je me de afstandsbediening aangeven? 
  2. overgankelijk aanduiden
    • Hij gaf de zaken die hij besprak aan op het beeldscherm met een laserstokje. 
  3. overgankelijk een (gezocht) persoon bij de autoriteiten melden
    • De vrouwenmishandelaar werd door de buren aangegeven. 
    • Je moet het pasgeboren kind aangeven bij de gemeente. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • de toon aangeven
de leider zijn, bepalen welke richting het op gaat
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.