aanplakken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·plak·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanplakken
plakte aan
aangeplakt
zwak -t volledig

Werkwoord

aanplakken

  1. overgankelijk aan iets vastplakken
    • Bij de vorming van het meervoud wordt er aan een Engels zelfstandig naamwoord meestal een -s aangeplakt. 
  2. overgankelijk met aanplakbiljetten meedelen

Gangbaarheid