aanhang

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·hang
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanhang -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

aanhang m

  1. het geheel van iemands helpers, volgelingen, partners, vrienden.
    • De PvdA heeft vooral bij de arbeiders een grote aanhang. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aanhangen

aanhang

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanhangen
    • ... dat ik aanhang. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen