aanschakelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·scha·ke·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanschakelen
schakelde aan
aangeschakeld
zwak -d volledig

Werkwoord

aanschakelen

  1. door schakelen of met schakels verbinden aan
  2. met een schakelaar in werking stellen
Synoniemen

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.