aanmunten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·mun·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanmunten
muntte aan
aangemunt
zwak -t volledig

Werkwoord

aanmunten

  1. overgankelijk tot munt slaan
    • Er moest nog aangemunt worden. 

Gangbaarheid

32 % van de Nederlanders;
52 % van de Vlamingen.

Meer informatie