aanspraak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·spraak
enkelvoud meervoud
naamwoord aanspraak aanspraken
verkleinwoord aanspraakje aanspraakjes

Zelfstandig naamwoord

aanspraak v/m

  1. (juridisch) het recht om het bezit of genot van iets te vorderen
    Hij maakte aanspraak op het recht van overpad.
  2. de gelegenheid om te praten
    De eenzame oude vrouw had behoefte aan wat aanspraak.
Vaste voorzetsels

Aanspraak maken op iets.

  • Zijn rechten laten gelden op.
Vertalingen