tegen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘voorzetsel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1284 [1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: teghen, tjeghen, tejeghen
Germaans: *gagin-
  • Verwant in Germaans:
Fries: tsjin

Voorzetsel

tegen

  1. zijdelings aanleunend
    • De fiets staat tegen de deur. 
  2. oneens met, ter bestrijding van
    • Er is geen middel tegen deze ziekte. 
    • Het raadslid stemde tegen het voorstel. 
  3. voor of omstreeks een bepaalde tijd
    • We gingen tegen de ochtend naar huis. 
    • Het liep tegen zevenen toen hij binnenkwam. 
    • Tegen de tijd dat hij het doorkreeg, was alles al verloren. 
  4. de ontvangende persoon van een boodschap: aan
    • Ik heb het tegen je gezegd. 
  5. voor de prijs van
    • Ik ruilde met de buurjongen tien knikkers tegen een bal. 
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Anagrammen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     tegen  
 persoonlijk     ertegen  
aanwijz.   nabij     hiertegen  
  veraf     daartegen  
  vragend/betrekk.     waartegen  


Bijwoord

tegen

  1. (predicatief) oneens, negatief
    • Bent u voor of tegen? 
  2. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    tegenspreken: Hij sprak deze bewering tegen.
  3. prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
    daartegen:Daar is een goed middel tegen.
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • Daar is geen kruid tegen gewassen.
    Dat is hopeloos; daar bestaat geen middel tegen.

Werkwoord

vervoeging van
tijgen

tegen

  1. meervoud verleden tijd van tijgen
    • Wij tegen. 
    • Jullie tegen. 
    • Zij tegen. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen