tegen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: teghen, tjeghen, tejeghen
Germaans: *gagin-
  • Verwant in Germaans:
Fries: tsjin

Voorzetsel

tegen

  1. zijdelings aanleunend
    • De fiets staat tegen de deur. 
  2. oneens met, ter bestrijding van
    • Er is geen middel tegen deze ziekte. 
    • Het raadslid stemde tegen het voorstel. 
  3. voor of omstreeks een bepaalde tijd
    • We gingen tegen de ochtend naar huis. 
    • Het liep tegen zevenen toen hij binnenkwam. 
    • Tegen de tijd dat hij het doorkreeg, was alles al verloren. 
  4. de ontvangende persoon van een boodschap: aan
    • Ik heb het tegen je gezegd.' 
  5. voor de prijs van
    • Ik ruilde met de buurjongen tien knikkers tegen een bal. 
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen


  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     tegen  
 persoonlijk     ertegen  
aanwijz.   nabij     hiertegen  
  veraf     daartegen  
  vragend/betrekk.     waartegen  


Bijwoord

tegen

  1. (predicatief) oneens, negatief
    • Bent u voor of tegen? 
  2. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    tegenspreken: Hij sprak deze bewering tegen.
  3. prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
    daartegen: Daar is een goed middel tegen.
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • Daar is geen kruid tegen gewassen.
    Dat is hopeloos; daar bestaat geen middel tegen.

Werkwoord

vervoeging van
tijgen

tegen

  1. meervoud verleden tijd van tijgen
    • Wij tegen. 
    • Jullie tegen. 
    • Zij tegen. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.