aanknopen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·kno·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanknopen
knoopte aan
aangeknoopt
zwak -t volledig

Werkwoord

aanknopen [1]

  1. vastknopen
  2. beginnen
  3. aanknopen bij: verder gaan met een bespreking; inhaken op

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen