aankomen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ko·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aankomen
kwam aan
aangekomen
klasse 4 volledig

Werkwoord

aankomen

  1. ergatief een bestemming bereiken
    • U bent aangekomen in Overveen. 
  2. even bezoeken
    • Zullen we even aankomen als we toch in Zwolle zijn. 
  3. treffen.
    • Het ongeval was harder aangekomen dan we aanvankelijk dachten. 
  4. ergatief zwaarder worden
    • Hij is de laatste paar maanden aardig aangekomen. 
  5. voorspellen
    • We konden dat ongeluk al lang van de tevoren zien aankomen. 
Vaste voorzetsels
  • aankomen aan: krijgen
  • aankomen op: berusten op
  • erop aankomen: beslissend zijn, van belang zijn
  • aankomen met: met iets komen aandragen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • er zit een mooie tijd aan te komen
vol hoop zijn dat er goede tijden komen
  • iemand zien aankomen
iemand geen kans gunnen
  • ergens aankomen
met je handen iets aanraken
  • het ergens op aan laten komen
riskeren, de gok wagen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.