aankomen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ko·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aankomen


kwam aan


aangekomen


klasse 4 volledig

Werkwoord

aankomen

  1. (ergatief) een bestemming bereiken
    U bent aangekomen in Overveen.
  2. even bezoeken
    Zullen we even aankomen als we toch in Zwolle zijn.
  3. treffen.
    Het ongeval was harder aangekomen dan we aanvankelijk dachten.
  4. (ergatief) zwaarder worden
    Hij is de laatste paar maanden aardig aangekomen.
  5. voorspellen
    We konden dat ongeluk al lang van de tevoren zien aankomen.
Vaste voorzetsels
  • aankomen aan: krijgen
  • aankomen op: berusten op
  • erop aankomen: beslissend zijn, van belang zijn
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • er zit een mooie tijd aan te komen
  • iemand zien aankomen
iemand geen kans gunnen
  • ergens hard aankomen
Vertalingen