aansterken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ster·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aansterken
sterkte aan
aangesterkt
zwak -t volledig

Werkwoord

aansterken

  1. ergatief gaandeweg herstellen
    • De zieke sterkte na de medicatie behoorlijk aan. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.