aanporren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·por·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanporren
porde aan
aangepord
zwak -d volledig

Werkwoord

aanporren

  1. overgankelijk aansporen
  2. overgankelijk iemand een veelbetekenende por geven

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.