aanduwen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·du·wen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanduwen
duwde aan
aangeduwd
zwak -d volledig

Werkwoord

aanduwen

  1. vaster duwen
  2. overgankelijk verplaatsen door te duwen
    • Wegens een startprobleem moesten we de auto aanduwen. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.