aantocht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·tocht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aantocht aantochten
verkleinwoord aantochtje aantochtjes

Zelfstandig naamwoord

aantocht m

  1. nadering

in aantocht zijn

    • Alle kinderen hoopten dat ondanks de motorstoring van de pakjesboot dat Sinterklaas toch in aantocht was. 
    • De lente is in aantocht. 
  1. naderen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.