aanwaaien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·waai·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanwaaien
waaide aan
woei aan
aangewaaid
klasse 6

zwak -d

volledig

Werkwoord

aanwaaien

  1. erheen waaien
  2. zonder moeite in iemands bezit raken
Spreekwoorden
  • komen aanwaaien: onverwachts op bezoek komen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.