aankondigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·kon·di·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aankondigen
kondigde aan
aangekondigd
zwak -d volledig

Werkwoord

aankondigen

  1. bekendmaken, verklaren
    Feitelijk gezien zal de voorzitter dan bij aanvang van de vergadering het extra agendapunt aankondigen.
  2. voorspellen.
    Vermoeidheid kan een hartaanval aankondigen.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.