aanmerken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·mer·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanmerken
merkte aan
aangemerkt
zwak -t volledig

Werkwoord

aanmerken

  1. aanmerken als: beschouwen
    • Hij werd ten onrechte als hoofdverdachte aangemerkt. 
  2. afkeuren

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.