aanmeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·me·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanmeren
meerde aan
aangemeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

aanmeren

  1. (een schip) aanleggen
Synoniemen
Vertalingen