aandoen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·doen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aandoen
deed aan
aangedaan
onregelmatig volledig

Werkwoord

aandoen

  1. overgankelijk (kleren) aantrekken
    • Het jonge kind kreeg een applaus toen het zijn kleren voor het eerst zelf aandeed 
  2. overgankelijk (iemand iets) berokkenen
    • De vader wist niet wat hij zijn kinderen aandeed door hen te verlaten. 
  3. overgankelijk (iets) aantasten
  4. overgankelijk (iemand) ontroeren
  5. overgankelijk (iemand of iets) bezoeken
    • Op weg van school deden we altijd even de snackbar aan. 
    • Op het nachtkastje naast mijn hotelbed ligt de speellijst met de steden die we gehad hebben en de steden die we de komende weken nog zullen aandoen: New York, NY; Boston, MA; Cleveland, OH; Chicago, IL; Minneapolis, MN; Milwaukee, WI; Houston, TX; Albuquerque, NM; Wichita, KS; Denver, CO; Phoenix, AZ; San Francisco, CA; Seattle, WA; Los Angeles, CA. [2] 
  6. overgankelijk lampen ontsteken, kachel aansteken
    • Als we gaan werken aan ons bureau doen we eerst de computer en de lampen aan. 
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • zich iets aandoen
zelfmoord plegen
  • hij kan zich zelf wel iets aandoen
ergens heel veel spijt van hebben
Vertalingen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. aandoen op website: Etymologiebank.nl
  2. Harstad, Johan Max, Mischa & Het Tet-offensief 2017 ISBN 9789057598494 pagina 15