aandoen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·doen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aandoen
deed aan
aangedaan
onregelmatig volledig

Werkwoord

aandoen

  1. overgankelijk (kleren) aantrekken
    • Het jonge kind kreeg een applaus toen het zijn kleren voor het eerst zelf aandeed 
  2. overgankelijk (iemand iets) berokkenen
    • De vader wist niet wat hij zijn kinderen aandeed door hun te verlaten. 
  3. overgankelijk (iets) aantasten
  4. overgankelijk (iemand) ontroeren
  5. overgankelijk (iemand of iets) bezoeken
    • Op weg van school deden we altijd even de snackbar aan. 
  6. overgankelijk lampen ontsteken, kachel aansteken
    • Als we gaan werken aan ons bureau doen we eerst de computer en de lampen aan. 
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • zich iets aandoen
zelfmoord plegen
  • hij kan zich zelf wel iets aandoen
ergens heel veel spijt van hebben
Vertalingen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.







Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.