aanzien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·zien
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanzien
zag aan
aangezien
klasse 5 volledig

Werkwoord

aanzien

  1. overgankelijk kijken naar
    • Hij kon het niet meer aanzien. 
  2. overgankelijk ~ voor: beschouwen als
    • Waar zie je me voor aan? 
  3. overgankelijk dulden, tolereren, kijken zonder te handelen
    • Ik heb het nog een tijdje aangezien, maar uiteindelijk ben ik er toch tegen opgetreden. 
    • De arts wilde het nog even aanzien. 
Spreekwoorden
  • voor een ander aanzien
zich in de persoon vergissen
  • aanzien doet gedenken
het zien maakt dat men er aan denkt
  • zonder aanzien des persoons
zonder er op te letten wie iemand is
  • van aanzien
gezien
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord aanzien -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

aanzien o

  1. hoe iets of iemand door anderen gezien wordt
    • Zijn aanzien liep daarmee een aardige deuk op. 
    • Door het nieuwe verfje is het aanzien van het huis duidelijk verbeterd. 
  2. voorkomen, reputatie, sociale status
    • Door haar promotie kreeg Mieke een ander aanzien in het bedrijf. 
  3. achting
    • Het bestuur wijzigde het beleid ten aanzien van de werknemers. 
Afgeleide begrippen
  • ten aanzien van
met betrekking tot
  • te dien aanzien
daarover
Typische woordcombinaties
  • aanzien genieten
Vertalingen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie