aanboren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·bo·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanboren
boorde aan
aangeboord
zwak -d volledig

Werkwoord

aanboren

  1. overgankelijk met een boor bereiken
    • Om de druk op de oliemarkt enigszins te verlichten boorde een het oliebedrijf een nieuwe oliebron aan. 
  2. overgankelijk een voorraad gaan gebruiken
    • Nu ze vijf dagen ingesneeuwd zaten, moesten ze hun voorraad soep uit een pakje aanboren. 
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
91 % van de Vlamingen.