aanrekenen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·re·ke·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanrekenen
rekende aan
aangerekend
zwak -d volledig

Werkwoord

aanrekenen

  1. een bepaalde prijs vragen bij een aankoop
  2. verantwoordelijk houden voor, de schuld geven van
  3. opvatten als
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.