aanplanten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·plan·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanplanten
plantte aan
aangeplant
zwak -t volledig

Werkwoord

aanplanten

  1. overgankelijk (jonge gewassen) door beplanting aanbrengen
    • Napoleon III liet veel bossen aanplanten. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

aanplanten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord aanplant

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.