aanrommelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·rom·me·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanrommelen
rommelde aan
aangerommeld
zwak -d volledig

Werkwoord

aanrommelen

  1. onovergankelijk planloos te werk gaan
    • In het begin rommelde de band maar wat aan. 
    • Bij deze tekst heb ik nog maar een stuk aangerommeld (klungelig toegevoegd) 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be